Terriërsoorten: 18 terriërrassen ingedeeld per werk
9 min leestijd

Terriërs vormen de meest misbegrepen groep hondenrassen die er is. Wie "een terriër" zegt, kan het hebben over een hond van twee kilo op een schoot of over een gespierde molosserkruising van dertig kilo — en tussen die twee zit geen enkele familieband behalve het woord zelf. Toch worden ze in vrijwel elk overzicht op één hoop gegooid, ingedeeld op formaat of op vachtlengte, terwijl juist het wérk waarvoor een terriër gefokt is bepaalt hoe hij zich in jouw huiskamer gedraagt. In dit overzicht staan achttien terriërrassen gegroepeerd zoals ze historisch ontstonden: de aardhonden die letterlijk ondergronds gingen, de rattenvangers van boerderij en fabriek, de bull-en-terriërs uit de negentiende-eeuwse vechtarena's en de lange-benige trimterriërs. Met bij elk ras de keerzijde erbij, want de terriërmentaliteit is de meest onderschatte eigenschap in de hondenwereld.
Wat maakt een hond een terriër? (het is geen formaat)
Het woord komt van het Latijnse terra, aarde. Een terriër was geen gezelschapshond maar een gereedschap: hij moest ongedierte opsporen en doden, en bij de jacht op vos, das of otter letterlijk het hol in kruipen om zijn prooi eruit te drijven of vast te houden tot de jager er was. Klein moest hij zijn omdat de gang smal was — niet omdat iemand een schoothond wilde.
Dat verklaart bijna alles aan het karakter. Een hond die alleen in het donker onder de grond zit, kan zijn baas niet raadplegen: hij moet zelf beslissen, zelf doorzetten en niet opgeven als het pijn doet. Precies die eigenschappen zijn eeuwenlang doorgefokt. Een terriër is dus geen ongehoorzame hond, hij is een zelfstandig beslissende hond — en dat is iets anders, ook al voelt het op een hondenweide hetzelfde.
De FCI deelt de terriërs officieel in als groep 3, met vier secties: hoogbenige terriërs, laagbenige terriërs, bull-type terriërs en toy-terriërs. Dat is een nuttige administratieve indeling, maar ze zegt weinig over wat je thuis krijgt. Praktischer is een indeling naar het oorspronkelijke werk, en dat is de indeling die hieronder gebruikt wordt: aardhonden, rattenvangers en boerderijterriërs, bull-en-terriërs, en de lange-benige trimterriërs.
Nog even dit, want het scheelt verwarring: niet alles met "terriër" in de naam is er een. De tibetaanse terriër is een oude Tibetaanse gezelschaps- en hoedershond, de zwarte Russische terriër is een schnauzertype uit een militair fokprogramma, en de teckel is wél een aardhond maar hoort in een heel andere FCI-groep. Omgekeerd is de schnauzer geen terriër, hoewel hij hetzelfde werk deed.
Aardhonden: de terriërs die ondergronds gingen (6 rassen)
Dit is de kern van de groep. Deze rassen werden geselecteerd op moed, uithoudingsvermogen en een lichaamsbouw die door een vossenhol paste — meestal onder de acht kilo, met een borstkas die je met twee handen kunt omvatten. Ze zijn stuk voor stuk levendig, slim en volstrekt zelfstandig in hun oordeel.
- Jack russell terriër (5–6 kg) — de bekendste werkterriër ter wereld, ontwikkeld door dominee John Russell voor de vossenjacht te paard. Onvermoeibaar, extreem leergierig en met een energieniveau dat de meeste eigenaars onderschatten. Keerzijde: hij heeft dagelijks werk voor zijn kop nodig, en zonder dat wordt hij blaffend, gravend of slopend creatief.
- Patterdale terriër (5–6 kg) — de harde werkterriër uit het Engelse Lake District, meestal zwart en niet door de FCI erkend omdat hij nooit op uiterlijk maar altijd op prestatie gefokt is. Wie een écht werkende terriër wil, komt hier uit. Keerzijde: precies daardoor is hij de veeleisendste van de groep, met een prooidrift die je nooit volledig wegtraint.
- Foxterriër, glad- en draadhaar (7–8 kg) — de klassieke Engelse vossenterriër, elegant, zeer alert en met een enorme dosis zelfvertrouwen. De draadhaarvariant vraagt plukken (trimmen met de hand), de gladhaar alleen borstelen. Keerzijde: hij is luidruchtig, vaak intolerant tegenover andere honden en houdt van graven.
- Cairn terriër (6–7,5 kg) — de Schotse hooglandterriër die tussen de steenhopen op ongedierte joeg, en van de aardhonden de evenwichtigste in een gezin. Ruwe vacht die weinig verhaart, vrolijk karakter, gemakkelijk in formaat. Keerzijde: koppig als hij iets niet ziet zitten, en een graver in hart en nieren.
- Border terriër (5–7 kg) — gefokt om mét de jachtmeute de paarden bij te houden en dán het hol in te gaan, wat hem uitzonderlijk maakt: hij is duidelijk socialer naar andere honden dan de rest van deze lijst. Vaak de beste keuze voor een eerste terriër. Keerzijde: hij is ondanks die zachtaardigheid een echte jager, en een loslopende kat blijft een probleem.
- Welsh terriër (9–10 kg) — ziet eruit als een airedale in zakformaat en is dat karakterologisch ook: zelfverzekerd, vrolijk en iets bedaarder dan de foxterriër. Verhaart nauwelijks, maar moet twee tot drie keer per jaar geplukt worden. Keerzijde: zeldzaam in België, dus reken op zoeken en op een wachtlijst bij een goede fokker.
Rattenvangers en boerderijterriërs (4 rassen)
Deze rassen gingen niet ondergronds maar hielden schuren, stallen en later ook fabrieken vrij van ratten en muizen. Ze zijn gemiddeld iets kleiner, iets socialer naar mensen, en hun prooidrift richt zich op wat beweegt op ooghoogte in plaats van op wat onder de grond zit.
- Yorkshire terriër (2–3,2 kg) — vandaag een gezelschapshond, oorspronkelijk de rattenvanger van Schotse wevers die naar de textielfabrieken van Yorkshire trokken. Die geschiedenis zit er nog volledig in: hij is moedig, luidruchtig en veel steviger van karakter dan zijn formaat doet vermoeden. Keerzijde: de lange vacht vraagt dagelijks werk of een korte trimbeurt, en hij wordt makkelijk verwend tot een blaffer.
- Rat terriër (5–11 kg, meerdere maten) — de Amerikaanse boerderijterriër die op alle Amerikaanse hoeves het ongedierte kort hield, en van de hele groep misschien de meest trainbare. Kortharig, gezond en werklustig. Keerzijde: hij verveelt zich snel en is in Europa lastig te vinden.
- West highland white terriër (7–10 kg) — de witte Schot, sociaal, opgewekt en een van de weinige terriërs die zich vlot laat inpassen in een druk gezin. Keerzijde: het ras is berucht om huidproblemen en allergieën, dus fokkerkeuze is hier geen detail maar het belangrijkste besluit.
- Norwich en norfolk terriër (5–5,5 kg) — twee bijna identieke Engelse rassen, pas in 1964 gesplitst; de norwich heeft rechtopstaande oren, de norfolk hangende. Klein, hard werkend en opvallend vriendelijk naar mensen. Keerzijde: zeldzaam en duur, met wachtlijsten van maanden tot een jaar.
Bull-en-terriërs: een compleet andere afstamming (4 rassen)
Deze groep ontstond in het negentiende-eeuwse Engeland door bulldogs met terriërs te kruisen, eerst voor bull-baiting en na het verbod daarop voor hondengevechten. Van de terriër kwam de scherpte en de wendbaarheid, van de bulldog de kracht en de pijndrempel. Wat er níét bij hoort, en dat is belangrijk: agressie naar mensen werd juist wegselecteerd, want een hond die zijn eigenaar in de ring beet, was waardeloos.
Het gevolg is een groep die vandaag opvallend mensgericht is en tegelijk moeilijk kan liggen met andere honden. Dat verschil — hondentolerantie versus mensgerichtheid — is het enige dat er bij deze rassen echt toe doet, en het is precies wat in discussies over deze honden door elkaar gehaald wordt.
- Bull terriër (20–35 kg) — herkenbaar aan het eivormige hoofd, en qua karakter een clown: aanhankelijk, koppig, ongelooflijk sterk en met een gevoel voor humor dat eigenaars van geen enkel ander ras beschrijven. Keerzijde: kracht plus koppigheid vraagt consequente opvoeding, en hij verdraagt lange dagen alleen slecht.
- American staffordshire terriër (25–30 kg) — atletisch, zelfverzekerd en uitgesproken gericht op zijn mensen. Bij goede socialisatie een stabiele gezinshond. Keerzijde: in sommige Belgische gemeenten gelden voor dit type extra verplichtingen, en verhuurders en verzekeraars liggen geregeld dwars — ga dat na vóór je een pup reserveert.
- Staffordshire bull terriër (11–17 kg) — de compacte Engelse variant, in Groot-Brittannië jarenlang een van de populairste gezinshonden vanwege zijn geduld met kinderen. Keerzijde: die reputatie is geen vrijbrief; het blijft een krachtige hond die andere honden niet vanzelfsprekend verdraagt.
- Boston terriër (5–11 kg) — de zachte uitzondering: ontstaan uit dezelfde kruising maar al meer dan een eeuw uitsluitend als gezelschapshond gefokt, zonder werkverleden. Rustig, vriendelijk, geschikt voor een appartement. Keerzijde: de korte snuit brengt ademhalings- en warmteproblemen mee, dus kijk kritisch naar de neuslengte bij de fokker.
De lange-benige en trimterriërs (4 rassen)
Groter, hoger op de benen en vrijwel allemaal met een vacht die geplukt of geschoren moet worden in plaats van te verharen. Dit is de groep waar mensen terechtkomen die de terriërmentaliteit willen in een formaat dat serieus genomen wordt — en meteen ook de duurste groep in onderhoud.
- Airedale terriër (20–30 kg) — de "koning der terriërs" en de grootste van de groep, oorspronkelijk voor otter- en rattenjacht rond de rivier de Aire, later politie- en oorlogshond. Veelzijdig, intelligent en waakzaam. Keerzijde: trimmen om de zes tot acht weken, en een terriërkoppigheid in een lichaam van dertig kilo laat weinig ruimte voor slordige opvoeding.
- Kerry blue terriër (15–18 kg) — de Ierse allrounder die vee dreef, jaagde én bewaakte, met een zachte krullende vacht die pas rond anderhalf jaar van zwart naar blauwgrijs verkleurt. Verhaart vrijwel niet. Keerzijde: uitgesproken hondonverdraagzaam als jonge hond en trimonderhoud om de zes weken; zeldzaam in de Lage Landen.
- Schotse terriër (8–10 kg) — laagbenig maar met de allure van een grote hond: waardig, gereserveerd tegenover vreemden en zeer gehecht aan één of twee mensen. Keerzijde: eigenzinnig tot op het bot, en van alle terriërs degene die het minst gemotiveerd wordt door voer.
- Ierse terriër (11–12 kg) — roodvurig van kleur én karakter, moedig, sportief en opvallend zachtaardig tegenover kinderen. Keerzijde: berucht om zijn ruzies met andere reuen, en net als de andere ruwharige terriërs vraagt hij handmatig plukwerk.
Werktype of showtype: bij terriërs is dat verschil groot
Bij nauwelijks een andere groep lopen werk- en showlijnen zo ver uiteen. De patterdale en de fell terrier — een verzamelnaam voor de werkterriërs uit de noordwest-Engelse Fells, waar ook de lakeland terriër uit voortkomt — zijn nooit op uiterlijk gefokt. Er is geen rasstandaard die zegt hoe ze eruit moeten zien; er was alleen de vraag of ze het werk aankonden. Dat levert honden op die fysiek en mentaal harder zijn dan hun showtegenhangers.
Voor een gezin is dat zelden goed nieuws. Een werklijn-jack russell of een patterdale uit jachtstammen heeft een prooidrift en een uithoudingsvermogen die je niet met twee wandelingen per dag opvangt. Een showlijn van hetzelfde ras is meestal iets zwaarder gebouwd, iets rustiger en beter hanteerbaar in een gewoon huishouden.
De praktische vraag aan een fokker is dus niet "is de pup gesocialiseerd", maar "waar werken de ouderdieren mee". Als het antwoord jacht of gronddwerk is, weet je wat je krijgt. Datzelfde onderscheid tussen werklijn en showlijn speelt trouwens ook sterk bij de herdershonden — we werken het daar verder uit.
De terriërmentaliteit eerlijk bekeken: 5 dingen die erbij horen
Wie een terriër neemt, koopt een pakket. Deze vijf punten zijn geen opvoedingsfouten maar rasgebonden eigenschappen; ze worden beter met training, maar ze verdwijnen niet.
- De terugroep is zwak by design. Een hond die gefokt is om zelfstandig in een hol te beslissen, gaat niet vanzelf overleggen. Honderd procent betrouwbaar loslopen is bij de meeste werkterriërs geen realistisch doel — een lange lijn is hier geen tussenstap maar vaak permanent gereedschap. Hoe je de terugroep zo ver mogelijk krijgt, staat in ons stappenplan over terugkomen op commando.
- De prooidrift is hoog en snel. Een bewegende kat, konijn of eekhoorn schakelt het denkende deel van de hond binnen een halve seconde uit. Katten in huis kan lukken als de pup ermee opgroeit; katten in de tuin van de buren zijn een blijvend risico.
- Graven is geen ondeugd maar de kernvaardigheid. Een terriër die je gazon omploegt, doet exact waarvoor hij bestaat. Verbieden werkt slecht, een aangewezen graafplek werkt wel.
- Ze zijn luidruchtig. Blaffen was bij het gronddwerk functioneel — zo wist de jager waar de hond zat. Reken op een hond met een mening en een stem, en begin vanaf dag één met de blafrem.
- Ze geven niet op. Dat maakt ze fantastisch in behendigheid en frustrerend aan de eettafel: wie één keer toegeeft aan een bedelende terriër, heeft er zes maanden werk aan. Consequentie is bij deze groep geen advies maar een voorwaarde.
Terriërdrift uitlaten in plaats van onderdrukken
De meeste problemen met terriërs zijn geen gedragsproblemen maar werkloosheid. Een half uur snuffelen levert bij dit type hond meer rust op dan een uur ballen gooien, want zoeken is het gedrag waarvoor het brein gebouwd is. Verstop voer in huis, gebruik een snuffelmat, laat hem een spoor uitwerken in de tuin.
Geef daarnaast een legaal alternatief voor graven en beetpakken. Een zandbak of een afgebakende hoek waar hij wél mag graven, lost het gazonprobleem meestal binnen enkele weken op. Voor de prooidrift werkt een flirtpole — een hengel met speeltje — beter dan wat ook: het laat de hond jagen, grijpen en loslaten op commando, en dat is precies de reeks die hij van nature wil afmaken.
Stevig kauwspeelgoed is bij deze groep geen luxe. Terriërs kauwen met kracht en volharding, en zacht pluchespeelgoed overleeft bij een patterdale of een bull terriër zelden één avond. Kies speelgoed dat te groot is om volledig in de bek te passen en dat op kauwkracht geselecteerd is — welke types dat zijn en waar je op let, hebben we uitgewerkt in ons overzicht van hondenspeelgoed voor volwassen honden.
Welke terriër past bij jouw situatie?
Eerste hond, gezin met kinderen, gewone tuin? Kies dan de socialste van de groep: border terriër, west highland white of cairn terriër. Ze hebben de terriërcharme zonder de scherpste randjes, ze passen in een rijhuis en ze verdragen drukte. De westie vraagt wel extra aandacht bij de fokkerkeuze vanwege de huidproblematiek.
Sportief en dagelijks veel tijd? Dan komen de jack russell, de foxterriër en de airedale in beeld — allemaal honden die floreren bij behendigheid, flyball of speurwerk en die zonder dat werk lastig worden. Wie echt een werkende hond wil en de gevolgen accepteert, kijkt naar de patterdale.
Weinig zin in verhaarde vloeren? De ruwharige en krullende terriërs verliezen nauwelijks haar: kerry blue, welsh terriër, schotse terriër en airedale. Reken dan wel op een trimbeurt om de zes tot acht weken, wat in België al snel 45 tot 80 euro per keer kost — over een jaar dus meer dan een middelgrote hond aan voer verbruikt. Hypoallergeen bestaat overigens niet: minder haar betekent niet automatisch minder allergeen.
Kijk je richting de bull-en-terriërs, dan is er één praktische stap die vooraf gaat aan de rassenkeuze: controleer het politiereglement van je gemeente en de voorwaarden van je verhuurder en verzekeraar. Voor de American staffordshire terriër, de bull terriër en pitbulltypes gelden in sommige Belgische gemeenten extra verplichtingen zoals muilkorf- of aanlijnplicht. Wat daar juridisch precies bij komt kijken, hebben we uitgewerkt in ons overzicht van waakhonden en de Belgische regels.
En de kosten? Een kleine terriër zit maandelijks rond 55 tot 90 euro, een airedale of amstaff eerder tegen 110 tot 170 euro, met het trimsalon als grootste verschilmaker tussen de rassen onderling. Het volledige kostenplaatje voor België — aanschaf, dierenarts, verzekering en de vergeten posten — staat in een aparte gids.
Bekijk deze rassen
Lees ook
Veelgestelde vragen
Hoeveel terriërsoorten zijn er?
De FCI erkent ruim dertig terriërrassen in groep 3, verdeeld over hoogbenige, laagbenige, bull-type en toy-terriërs. Daarnaast bestaan er werktypes die nooit officieel erkend zijn omdat ze op prestatie in plaats van uiterlijk gefokt worden, zoals de patterdale en de fell terrier. In dit overzicht staan de achttien rassen die je in België en Nederland realistisch tegenkomt.
Wat is de rustigste terriër?
De border terriër en de west highland white terriër komen daar het beste uit: allebei duidelijk socialer naar andere honden en toleranter voor drukte dan de rest van de groep. De boston terriër is strikt genomen nog rustiger, maar die heeft dan ook geen werkverleden meer. Rustig blijft hierbij relatief — geen enkele terriër is een bankhond, en alle vier hebben ze dagelijks beweging en kopwerk nodig.
Is een terriër geschikt als eerste hond?
Dat hangt sterk van het ras af. Een border terriër, cairn terriër of westie is voor een gemotiveerde beginner heel goed te doen. Een patterdale, een werklijn-jack russell of een van de bull-en-terriërs is dat niet: die vragen ervaring met zelfstandige, sterke honden. Reken bij elke terriër op consequente opvoeding, want inconsequent gedrag wordt door deze groep meedogenloos uitgetest.
Waarom komen terriërs niet terug als je roept?
Omdat ze daar niet voor gefokt zijn. Een aardhond moest onder de grond zelfstandig beslissen zonder zijn baas te kunnen raadplegen, en dat zelfstandige oordeel is eeuwenlang doorgeselecteerd. Bovendien schakelt de hoge prooidrift het luisteren binnen een halve seconde uit zodra er iets wegloopt. Je kunt de terugroep flink verbeteren met een lange lijn en jackpotbeloningen, maar honderd procent betrouwbaar loslopen is bij de meeste werkterriërs geen realistisch doel.
Verharen terriërs veel?
De ruwharige en krullende terriërs verliezen nauwelijks haar: kerry blue, airedale, welsh terriër, schotse terriër, foxterriër draadhaar. Hun dode haar blijft in de vacht zitten en moet er twee tot vier keer per jaar uit geplukt of geschoren worden, wat in België 45 tot 80 euro per beurt kost. Kortharige terriërs zoals de rat terriër, de staffordshire bull terriër en de boston terriër verharen wél gewoon. Let op: weinig verharen betekent niet hypoallergeen — dat bestaat niet.
Zijn terriërs agressief naar andere honden?
Veel terriërs zijn minder tolerant naar soortgenoten dan gemiddeld, en dat is rasgebonden: ze zijn gefokt om alleen te werken en om niet op te geven. Bij de bull-en-terriërs en de kerry blue is dat het duidelijkst, bij de border terriër juist het minst omdat die in meute werkte. Naar mensen zijn terriërs als groep opvallend vriendelijk — ook de bull-en-terriërs, waar mensgerichtheid historisch bewust doorgefokt is. Vroege en brede socialisatie maakt hier een groot verschil.