← Alle artikels

Wat mag een hond eten? Twintig voedingsmiddelen met de cijfers erbij

13 min leestijd

Delen:
Gele labrador op de achterbank van een auto met wijd opengesperde bek en gesloten ogen — het gezicht waarmee elke vraag over mensenvoeding begint

Je staat te koken, je hond zit naast je, en er valt iets. Of je houdt het laatste stuk banaan in je hand en je vraagt je af of dat naar de vuilbak moet of naar beneden mag. Je zoekt het op en je krijgt een lijst terug met tientallen voedingsmiddelen, waarvan een deel rood gemarkeerd staat zonder één getal erbij. Die lijst klopt niet met de naslagwerken waarin dierenartsen zelf kijken. Die noemen er zeven. En bij het gevaarlijkste van de zeven weten we pas sinds 2022 waaróm het gevaarlijk is. Hieronder staat per voedingsmiddel wat er gemeten is, wat er níet gemeten is, en welke rekensom je zelf kan maken.

De lijst van de dierenarts telt zeven namen, die op internet dertig

Het hoofdstuk voedingsgevaren van de Merck Veterinary Manual, een standaardnaslagwerk in de diergeneeskunde, behandelt precies zeven onderwerpen: look en ui, avocado, brooddeeg, chocolade, macadamianoten, druiven met rozijnen en tamarinde, en xylitol. Dat is de hele lijst. Geen tomaat, geen appelpitten, geen citrusvruchten, geen melk, geen ei, geen noten buiten de macadamia, en uit een gewone fruitschaal alleen de druif — de avocado en de tamarinde zijn botanisch ook vruchten, maar die liggen zelden in die schaal.

Dat betekent niet dat alles wat er niet op staat veilig is. Het betekent iets preciezers: bij deze zeven is er bij dieren een vergiftigingsbeeld beschreven dat zich laat herkennen, en bij de rest niet. Een voedingsmiddel verdwijnt van zo een lijst niet omdat iemand het veilig verklaart, maar omdat er nooit genoeg gevallen van zijn binnengekomen om er een hoofdstuk over te schrijven.

Die zeven zijn ook niet even zwaar. Twee ervan zijn in dit artikel bewust kort: chocolade en xylitol zijn elders op deze site al met hun dosissen uitgewerkt, in de eerstehulpgids en in de gids over likmatten. De vijf andere krijgen hier wel hun cijfers, samen met ruim tien voedingsmiddelen die níet op de lijst staan maar waar iedereen over twijfelt.

Waarom fruit gezond heet, en waarom dat argument bij een hond wegvalt

Het eerste argument voor een stuk fruit is bij mensen altijd hetzelfde: de vitamine C. Bij een hond gaat dat argument niet op, en de reden staat zwart op wit in hetzelfde naslagwerk. Honden en katten maken hun eigen ascorbinezuur aan uit glucose in de lever, en daarom bestaat er geen voedingsbehoefte voor vitamine C — niet bij de hond, niet bij de kat.

De Europese kant bevestigt dat door te zwijgen. In de voedingsrichtlijnen van FEDIAF, de normen waarop elke zak hondenvoer in België gebouwd is, staan in de vitaminetabel voor de hond dertien regels: A, D, E, B1, B2, B3, B5, B6, B7, B9, B12, choline en K. Vitamine C staat er niet tussen. Geen minimum, geen maximum, geen aanbevolen hoeveelheid. Het staat er simpelweg niet.

Dat is geen detail van de tabel maar de kern van de zaak. Het hoofdargument waarmee fruit bij de hond wordt binnengebracht, beschrijft een tekort dat bij deze diersoort niet bestaat. Een appel is daarom geen aanvulling op wat er ontbreekt. Wat hij wél kan zijn, staat verderop.

Het tweede argument is kalium, en dat staat wél in de tabel

Kalium ligt anders. Daar zet FEDIAF voor een volwassen hond wel degelijk een minimum: 0,58 gram per 100 gram droge stof bij een onderhoudsbehoefte van 95 kcal per kilo metabool gewicht, of uitgedrukt per energie-eenheid 1,45 gram per 1.000 kcal. Een maximum staat er niet; in de kolom voor kalium staat enkel een streepje.

Een banaan bevat volgens de Amerikaanse voedingsdatabank 358 milligram kalium per 100 gram, en 74,91 gram van diezelfde 100 gram is water. Rekenen we dat om naar droge stof — en dat is mijn rekensom, niet die van de databank — dan zit een banaan op ongeveer 1,43 gram kalium per 100 gram droge stof, ruim het dubbele van het minimum uit de tabel.

Dat klinkt als een pluspunt tot je bedenkt waar het minimum voor dient. Het is een ondergrens die de zak al moet halen voor hij verkocht mag worden. Een banaan vult dus geen gat; hij telt op bij een hoeveelheid die al gegarandeerd is. Dat is geen reden om hem niet te geven, maar het is wel een ander verhaal dan het verhaal op de verpakking van jouw fruit.

En dan het derde probleem: voor vers eten bestaat er geen maat

De FEDIAF-richtlijnen zeggen zelf waarvoor ze gelden: minimum- en maximumgehaltes voor commerciële voeders voor gezonde honden en katten. Snacks en traktaties vallen daar als aanvullend voeder onder, met de uitdrukkelijke waarschuwing dat ze in hoeveelheden gegeven kunnen worden die de totale energie-inname beïnvloeden en dat de voederinstructie dat moet ondervangen.

Wat er niet onder valt, is het stuk banaan uit jouw keuken. Daarvoor bestaat geen Europese norm, geen minimum, geen maximum en geen aanbevolen portie. De enige vuistregel die in de praktijk circuleert — dat alles buiten de maaltijd samen onder een tiende van de dagelijkse energie blijft — komt uit de wereld van de snacks en is op deze site in de gids over hondensnacks al helemaal doorgerekend.

Daarmee heb je het eerlijke kader voor de rest van dit artikel. Voor bijna elk voedingsmiddel hieronder luidt het antwoord op de vraag of het mag: ja, in een hoeveelheid die niemand officieel heeft vastgelegd. Het interessante zit niet in dat ja, maar in de handvol gevallen waar het antwoord nee is en waar er wél een getal bij hoort.

Druiven en rozijnen: het ene stuk fruit dat echt gevaarlijk is, en pas sinds 2022 weten we waarom

Dat druiven en rozijnen bij honden nierfalen kunnen geven, is ruim twintig jaar bekend. Welke stof dat deed, was het niet. De doorbraak kwam uit een onverwachte hoek: een hond kreeg acuut nierletsel na het opeten van zelfgemaakt kleideeg met wijnsteen erin, en in de databank van het Amerikaanse antigifcentrum voor dieren bleek een reeks gevallen te zitten van honden met nierletsel na wijnsteen of tamarinde.

De nierbeelden bij die honden kwamen overeen met wat men bij druiven en rozijnen ziet. Klinisch beeld, labowaarden en weefselonderzoek vielen samen, en daaruit volgde de conclusie dat wijnsteenzuur de gemeenschappelijke noemer is. Het naslagwerk noemt het nog altijd voorzichtig “een voorgesteld toxisch principe” — geen bewezen, maar wel het best onderbouwde dat er is.

Waarom uitgerekend de hond, daar is een verklaring voor die de rest van het dossier begrijpelijk maakt: de hond mist organische zuurtransporters die andere soorten wel hebben, waardoor wijnsteenzuur zich ophoopt in de cellen van de proximale niertubuli. Precies daar zit het letsel. De tamarinde, die hier zelden in huis is maar in Aziatische keukens vaak, staat in hetzelfde hoofdstuk om dezelfde reden.

De dosis die niemand kan geven, en het getal dat er toch staat

Hier wordt het ongemakkelijk. Het gehalte wijnsteenzuur in druiven schommelt tussen 0,35 en 2 procent, een verschil van bijna een factor zes tussen de ene tros en de andere. Daarmee is de centrale vraag van elke bezorgde eigenaar — hoeveel druiven zijn te veel — niet te beantwoorden, want dezelfde vijf druiven dragen een andere hoeveelheid gif naargelang waar ze vandaan komen.

Toch noemt het naslagwerk één richtgetal, en het is strenger dan wat je op de meeste Nederlandstalige pagina’s leest: meer dan één druif of rozijn per 4,5 kilo lichaamsgewicht kan genoeg wijnsteenzuur bevatten om een risico voor de nieren te vormen. Dat is mijn omrekening naar een doorsnee hond: bij 20 kilo gaat het dan om méér dan vier druiven, bij 10 kilo om méér dan twee.

Vier druiven bij een hond van twintig kilo. Dat is de hoeveelheid die onder de keukentafel verdwijnt zonder dat iemand het merkt. En rozijnen zijn erger dan druiven om de simpele reden dat ze ingedroogd zijn: dezelfde hoeveelheid zuur zit in een veel kleiner stukje, en een handvol rozijnen uit een muesli of een stuk cake telt snel op.

Waar de standaardreferentie zichzelf tegenspreekt

Bij het nalezen van diezelfde pagina viel iets op wat de onzekerheid rond dit dossier goed illustreert. Over hoe snel het nierfalen optreedt, geeft de pagina drie verschillende antwoorden: de samenvatting zegt 24 tot 48 uur, het stuk over het ziekteverloop zegt doorgaans binnen 72 uur, en het stuk over de klinische bevindingen zegt 24 tot 72 uur na blootstelling.

Dat is geen slordigheid om mee uit te pakken, het is een teken dat de getallen in dit dossier uit uiteenlopende gevalsbeschrijvingen komen in plaats van uit één nette reeks. Wat op alle drie de plaatsen hetzelfde blijft, is het vroege deel: de meeste honden braken of krijgen diarree binnen 6 tot 12 uur na de inname. Dat venster is wat je in de gaten houdt.

En het slot van dat verhaal is hard. Komt het tot nierfalen waarbij de urineproductie stilvalt, dan sterven de meeste honden of worden ze geëuthanaseerd, en zonder peritoneale dialyse of hemodialyse is overleven onwaarschijnlijk. Zelfs mét dialyse noemt de pagina de prognose voorbehouden. Dat is de reden waarom druiven het enige voedingsmiddel in dit artikel zijn waarbij je niet met een hoeveelheid werkt maar met één instructie: bellen.

Wijnsteen en tamarinde: wat er nog meer in je keukenkast staat

Het nieuwe aan de ontdekking van 2022 is niet alleen de stof, maar de lijst producten die er plots bij hoort. Wijnsteen — cremor tartari, kaliumbitartraat — zit in bakpoeder, in sommige bakmixen en in het recept voor zelfgemaakt kleideeg dat op elke knutselblog staat. Dat laatste is precies hoe het eerste gedocumenteerde geval ontstond.

Tamarinde zit in Indiase en Thaise sauzen, in chutney en in sommige worcestershiresauzen. Het naslagwerk zet tamarinde zonder omwegen in dezelfde rubriek als druiven, met dezelfde aanpak: ontsmetting van het maagdarmkanaal en infuus na een betekenisvolle inname.

Praktisch betekent dat vooral iets voor wat je laat rondslingeren. Een bakje zelfgemaakte speelklei op de keukentafel is in dit opzicht geen knutselwerk maar een potje wijnsteenzuur, en een hond die zout deeg lekker vindt, eet er meer van dan je zou denken. Dat verband is pas sinds 2022 bekend en staat nog op bijna geen enkele Nederlandstalige waarschuwingslijst.

Mag een hond appel eten? Ja — en dan nu het verhaal van de pitten

Het vruchtvlees van een appel is onverdacht. In een Brits onderzoek naar amygdaline, de stof waaruit blauwzuur vrijkomt, werd in sap geperst uit vruchtvlees mét schil niets teruggevonden; de auteurs noemen het vruchtvlees van rozeachtige vruchten ronduit cyanidevrij. De waarschuwing gaat dus nooit over de appel, altijd over de pitjes in het klokhuis.

In diezelfde studie werden vijftien appelvariëteiten op hun pitten gemeten. Golden Delicious kwam het hoogst uit met 3,9 milligram amygdaline per gram pit, Royal Gala op 3, Red Delicious op 2,8, Elstar en Pink Lady op 2,4 à 2,6, Granny Smith en Cox op 1,6, en Egremont Russet onderaan met 1. Omgerekend naar blauwzuur komt dat neer op 0,06 tot 0,2 milligram per gram pitten.

Dat is een groot verschil tussen de variëteiten — bijna een factor vier — en het verklaart waarom niemand een vast aantal pitten kan noemen. Een pit van een Golden Delicious draagt simpelweg meer dan een pit van een Egremont Russet. Maar met deze getallen kan je wel iets wat op geen enkele waarschuwingspagina staat: de rekensom maken.

De rekensom met de appelpitten, en waarom ze nooit gemaakt wordt

De acuut dodelijke dosis blauwzuur via de bek ligt bij de meeste diersoorten rond 2 milligram per kilo lichaamsgewicht. Voor een hond van 15 kilo gaat het dus om ongeveer 30 milligram. Bij het hoogste gemeten gehalte, 0,2 milligram per gram pitten, komt dat neer op 150 gram pitten; bij het laagste gehalte op ongeveer 500 gram. Dat is mijn rekensom op basis van die twee bronnen, geen cijfer uit een studie.

Ik zet hier bewust geen aantal pitjes bij. Geen van de bronnen die ik vond, geeft het gewicht van één appelpit, en elke pagina die wél een aantal noemt, heeft dat ergens overgeschreven. Honderdvijftig gram pitten is hoe dan ook een hoeveelheid die je alleen bij elkaar krijgt door klokhuizen te verzamelen, niet door één appel te delen.

Daar komt een tweede rem bij die nog zwaarder weegt. Blauwzuur komt pas vrij als het plantenweefsel beschadigd wordt: kauwen en fijnmalen zijn volgens het toxicologiehoofdstuk belangrijk voor het ontstaan van het acute beeld. Een hond die een klokhuis uit de vuilbak jat, slikt dat grotendeels heel door. Ter vergelijking: de Europese voedselveiligheidsautoriteit hanteert voor mensen een acute referentiedosis van 0,02 milligram cyanide per kilo lichaamsgewicht — honderd keer lager dan de dodelijke dosis, juist omdat men bij mensen ver onder de rand wil blijven.

Mag een hond banaan eten? Ja, en de enige echte vraag is hoeveel

Een banaan staat op geen enkele gevarenlijst en er is geen reden om hem te weren. De cijfers die ertoe doen zijn deze: per 100 gram levert rauwe banaan 89 kcal, 12,23 gram suikers, 2,6 gram vezels en bijna 75 gram water. Die 12 gram suiker is wat een banaan onderscheidt van een komkommer, en samen met de calorieën is het de enige reden om op de hoeveelheid te letten.

Een hele banaan zonder schil haalt doorgaans meer dan 100 gram, en dus meer dan die 89 kcal. Voor een hond van 10 kilo is dat geen bijgerecht maar een flink deel van wat er die dag bij mag. Wie precies wil weten hoeveel dat is, vindt die rekensom uitgewerkt in de gids over hondensnacks; het principe is daar hetzelfde, of de calorieën nu uit een zakje of uit een schil komen.

De vezels zijn het tweede dat opvalt, en ook daar is de hondenversie van het verhaal anders dan de menselijke. Er bestaat net zomin een voedingsbehoefte voor vezels bij honden en katten als voor vitamine C, al hebben bepaalde vezelbronnen wel degelijk nut. Wat er wél bijstaat: een voeding met te veel vezels kan de opname van nutriënten in de darm hinderen. Vezels zijn dus geen doel op zich.

Komkommer en wortel: wat ze wél zijn, en wat ze niet zijn

Komkommer en wortel zijn in dit lijstje de twee met de minste gevolgen, en de reden is banaal: ze bestaan grotendeels uit water. Daarmee zijn ze het dichtste wat er bestaat bij een hap zonder gevolgen — nuttig als je iets wil geven terwijl je kookt, en nuttig bij een hond die op dieet staat en toch bezigheid vraagt tijdens het klaarmaken van zijn maaltijd.

Wat ze niet zijn, is een tandenborstel. De gedachte dat een rauwe wortel het gebit schoonhoudt, is dezelfde gedachte als die achter droogvoer en gebitssnacks, en die is op deze site in de poetsgids met de bijbehorende studies uitgezocht. Het korte antwoord daar is dat de afstand tussen wat kauwen doet en wat poetsen doet, groter is dan de verpakking suggereert.

Een derde punt dat bij harde groenten hoort: hele stukken wortel worden door een gretige hond doorgeslikt zonder te kauwen. Dat is zelden een ramp, maar het verklaart waarom je soms een herkenbaar stuk oranje terugziet. Snijden helpt, en bij een hond die alles in één keer wegwerkt is het de enige zinnige vorm.

Aardbei, peer, meloen: het probleem met het woord natuurlijk

Aardbeien, peren, meloen, bosbessen en stukjes mango staan geen van alle op een gevarenlijst, en ze gedragen zich alle vijf als de banaan: water, vezels en suiker, in wisselende verhoudingen. Het enige wat telt is dat de suiker meetelt in wat je die dag al gegeven hebt, en dat vers fruit geen enkele voedingsstof levert waar de hond tekort aan heeft.

Het woord dat hier verwarring sticht, is “natuurlijk”. Natuurlijk is geen eigenschap die iets over veiligheid zegt: de druif is natuurlijk, de macadamianoot is natuurlijk en de ui is natuurlijk, en alle drie staan ze om goede redenen op de lijst van de dierenarts. Omgekeerd is er aan een industrieel geperste trainingssnack niets mis.

Eén uitzondering hoort hier wel vermeld, want ze zit bij het zoete goed verstopt. Suikervrije producten — kauwgom, sommige pindakazen, sommige lightdesserts — kunnen xylitol bevatten, en dat is het zevende en laatste item op de lijst van de dierenarts. De cijfers daarover staan in de gids over likmatten, omdat dat precies het product is waar mensen pindakaas op smeren. Lees daar het etiket voor je iets zoets deelt.

Mag een hond kaas eten? De lactosecijfers die er nooit bij staan

Over zuivel bestaat één zin die iedereen kent — honden verteren lactose slecht — en nul cijfers. Die cijfers bestaan wel. Per 100 gram bevat volle koemelk 4,9 gram lactose, gewone yoghurt 2,6 en Griekse yoghurt 0,5. Bij kazen loopt het snel terug: cheddar 0,5, mozzarella 0,7, Emmentaler minder dan 0,1 en Parmezaan minder dan 0,01 gram per 100 gram.

Daarmee valt de kaasvraag grotendeels uit elkaar. Een blokje harde, gerijpte kaas bevat vrijwel geen lactose; het lactoseargument slaat er domweg niet op. Verse kazen liggen anders: ricotta zit op 3,5 en platte kaas op 3,2 gram per 100 gram, en die komen dus in de buurt van yoghurt.

Wat harde kaas wél meebrengt, is vet en zout, en dat is een ander gesprek dan lactose. Een blokje Parmezaan is als trainingsbeloning uitstekend omdat honden er veel voor over hebben en je er weinig van nodig hebt — maar het is een vette beloning, en de hoeveelheid telt mee in hetzelfde budget als alle andere happen buiten de maaltijd.

Mag een hond yoghurt eten? Er bestaat een gemeten drempel, en de uitval is het nieuws

Hier is de zeldzame situatie waarin iemand het gewoon heeft nagemeten. Een Italiaanse groep gaf veertien gezonde volwassen honden uit verschillende rassen, gemiddeld 19,0 kilo met een standaardafwijking van 7,6, oplopende hoeveelheden lactose bovenop hun voer: 0,5, dan 1 en dan 2 gram per kilo metabool gewicht per dag, elke trap twintig dagen lang.

De conclusie van de auteurs is dat acht van de veertien honden tot 2 gram per kilo metabool gewicht per dag verdroegen zonder maagdarmklachten, wat volgens hen ruim boven de oudere richtwaarde van 1 gram per kilo líchaamsgewicht per dag ligt. Die vergelijking moet je narekenen, want de twee maten lopen niet gelijk op: bij hun gemiddelde hond van 19 kilo komt hun hoogste trap op 18,2 gram uit en de oude richtwaarde op 19 gram, dus daar liggen ze vrijwel op elkaar. Pas bij een kleinere hond ligt hun drempel er echt boven. Omgerekend naar hun gemiddelde hond van 19 kilo komt die laagste trap neer op ongeveer 4,5 gram lactose per dag, en de hoogste op ruim 18 gram — dat is mijn omrekening, en 18 gram lactose zit in ongeveer 370 milliliter volle melk of in zo’n 700 gram gewone yoghurt.

Maar het echte nieuws zit in de uitval, en die staat in geen enkele samenvatting. Vier van de veertien honden weigerden de laagste dosis gewoon op te eten. Twee kregen binnen 24 uur na de eerste maaltijd van de middelste trap acute diarree en werden uit de proef gehaald. Zes van de veertien haalden het einde dus niet, en dat zegt meer over jouw hond dan welk gemiddelde ook: de spreiding is het resultaat.

Wat diezelfde proef over mineralen vond, en waarom dat ertoe doet

Naast de ontlasting maten de onderzoekers ook hoeveel van het voer er verteerd werd, en daar kwam iets uit wat zelden in een zuiveldiscussie opduikt. De verteerbaarheid van magnesium daalde rechtlijnig mee met de lactosedosis: van 0,47 bij de laagste trap naar 0,26 bij de hoogste, met een p-waarde van 0,018. Ook voor calcium, mangaan, ijzer en kalium zagen ze significante verschuivingen.

Dat is geen alarm. De hoeveelheden liggen hoog en de proef duurde twintig dagen per trap; niemand giet zijn hond twintig dagen na elkaar bijna vier deciliter volle melk naar binnen. Maar het laat zien dat zuivel bovenop een volwaardig voer niet neutraal is: je verandert er iets mee aan hoe de rest van de maaltijd wordt opgenomen, en dat is een argument dat je op geen enkele yoghurtverpakking zal vinden.

De auteurs zelf zijn er netjes over. Ze noemen hun steekproef klein, de omstandigheden niet gestandaardiseerd, en ze vonden geen duidelijk prebiotisch effect, wat nochtans de reden was waarom ze het onderzochten. Ze vermoeden dat de honden die het volhielden een restje lactase in hun dunne darm overhouden, maar dat hebben ze niet gemeten — ze schrijven het er uitdrukkelijk bij.

Mag een hond ei eten? En wat er over rauw wél gemeten is

Ei staat op geen enkele gevarenlijst, en gekookt ei is een van de onschuldigste dingen die je kan delen. Over rauw ei circuleren twee bezwaren. Het eerste is dat avidine in het eiwit biotine zou wegvangen; daar vond ik geen gedocumenteerde ziektegevallen bij honden achter, alleen de redenering. Het tweede is bacteriologisch, en daarover bestaan wél cijfers.

Een Nederlands onderzoek testte 35 diepgevroren rauwvleesproducten voor honden en katten van acht merken. In 80 procent zat ESBL-vormende E. coli, een resistentievorm die als problematisch geldt, in 54 procent Listeria monocytogenes, in 23 procent E. coli O157:H7 en in 20 procent Salmonella; bij telkens 11 procent ging het om een van twee Sarcocystis-parasieten en bij 6 procent om Toxoplasma. De auteurs besluiten dat eigenaars over die risico’s ingelicht horen te worden.

Dat onderzoek ging over vlees, niet over eieren, en ik reken de percentages er dus niet naar over. Wat je eruit meeneemt is het principe: bij rauwe dierlijke producten is de besmetting geen theoretisch risico maar een meetbare uitkomst, en ze gaat ook over de mensen in huis die het bakje afwassen. Wie het voordeel van rauw ei niet kan benoemen, heeft weinig reden om dat risico te nemen.

Mag een hond brood eten? Het gebakken brood is het probleem niet

Brood staat niet op de lijst, brooddeeg wel, en tussen die twee zit het scherpste onderscheid van dit hele lijstje. Een stuk gebakken brood is voor een hond gewoon zetmeel: weinig interessant, niet schadelijk, en volledig afwezig in het toxicologiehoofdstuk. Rauw gistdeeg is een heel ander product.

Wat er dan gebeurt, is tweevoudig. De maag is warm en vochtig en de gist blijft zich vermenigvuldigen, zodat het deeg daarbinnen verder rijst en de maag opspant tot de doorbloeding van de maagwand in het gedrang komt — een beeld dat op maagdilatatie en -torsie lijkt, en bij gevoelige rassen kan het dat ook uitlokken. Tegelijk produceert de gisting alcohol, die in het bloed wordt opgenomen.

Dat tweede is wat honden doodt. Het naslagwerk zegt het droog: de dood is gewoonlijk het gevolg van de stofwisselingseffecten van alcohol, niet van de uitzetting zelf. De hond wordt eerst onrustig en probeert tevergeefs te braken, wordt dan wankel en gedesoriënteerd, en kan uiteindelijk onderkoeld raken, een lage bloedsuiker krijgen of stuipen. Deeg dat staat te rijzen op het aanrecht is dus geen voedsel dat je beter niet geeft, maar iets wat buiten bereik hoort.

Ui en look: het ene getal dat je kan onthouden

Bij de uienfamilie — waartoe ook prei, sjalot en bieslook behoren, want het hoofdstuk gaat over het geslacht Allium en niet over de ui alleen — bestaat wél een dosis, en het is een van de weinige getallen in dit artikel waarmee je thuis echt iets kan. Bij de hond zijn klinische verschijnselen beschreven na inname van 15 tot 30 gram rauwe ui per kilo lichaamsgewicht. Voor een hond van 10 kilo begint dat bij 150 gram rauwe ui, ongeveer één grote ui — dat is mijn omrekening van hun grammen per kilo.

Look is volgens hetzelfde hoofdstuk 3 tot 5 keer giftiger dan ui, en daar zit de valstrik. Een theelepel lookpoeder weegt niets, maar het is ingedroogde, geconcentreerde look, en de vergiftigingen die gemeld worden hangen volgens het naslagwerk juist het vaakst samen met die geconcentreerde vormen: poeders en gedroogde vlokken. Bij katten is minder dan een theelepel gekookte ui al genoeg geweest.

Het derde dat je moet weten, is het tijdsverloop, want dat maakt deze vergiftiging verraderlijk. De zwaveloxidanten beschadigen de rode bloedcellen niet meteen: de methemoglobinevorming begint binnen 24 uur en piekt rond 72 uur, en de eigenlijke bloedafbraak treedt gewoonlijk 3 tot 5 dagen na de inname op. Een hond die vanavond pastasaus heeft gestolen, is morgen nog in orde. Dat is geen geruststelling maar een reden om het te melden.

Macadamia: de dosis is bekend, het werkingsmechanisme niet

Noten in het algemeen staan niet op de lijst; de macadamianoot staat er als enige wél op. Het hoofdstuk zegt er twee dingen bij die slecht samengaan. Honden zijn de enige diersoort waarbij de verschijnselen gemeld zijn, én het werkingsmechanisme is tot vandaag onbekend — er is dus een dosis bekend zonder dat iemand weet wat die dosis doet.

De cijfers zijn wel helder. Honden kregen verschijnselen na een inname van 2,4 gram macadamianoten per kilo lichaamsgewicht; bij experimentele toediening van 20 gram per kilo verschenen de verschijnselen binnen 12 uur. Het beeld bestaat uit zwakte, sufheid, braken, onzekere gang, trillen en koorts, waarbij het trillen volgens het hoofdstuk wellicht een gevolg is van de spierzwakte.

De goede kant van het verhaal is het verloop: de verschijnselen verdwijnen doorgaans binnen 12 tot 48 uur. Voor een hond van 10 kilo ligt de drempel op 24 gram noten, ongeveer een handvol. Daarmee is macadamia het schoolvoorbeeld van een product dat zelden dodelijk afloopt maar wel een angstige nacht oplevert, en je vindt het vooral in koekjes en in gemengde notenmengelingen.

Avocado: de reputatie klopt, de reden niet

De avocado heeft bij honden een slechtere naam dan hij verdient, en de bron van dat misverstand is dat hij voor andere dieren wel degelijk gevaarlijk is. Het hoofdstuk noemt persine als toxisch principe en somt de gevoelige soorten op: runderen, geiten, paarden, schapen, diverse knaagdieren en konijnen, kooi- en boerderijvogels, maki’s, vingerdieren en vissen.

Over de hond staat er iets anders: honden lijken betrekkelijk ongevoelig in vergelijking met andere soorten. Er bestaat één gevalsbeschrijving van twee honden die hartspierschade ontwikkelden na het eten van avocado, en verder geeft het hoofdstuk voor honden geen dosis en geen hondspecifiek ziektebeeld. Dat is een heel ander dossier dan het dossier van de druif.

Waar het hoofdstuk bij honden wél uitdrukkelijk voor waarschuwt, is de pit. Honden die de hele pit inslikken, kunnen er een afsluiting van het maagdarmkanaal aan overhouden. Het echte avocadoprobleem bij de hond is dus mechanisch en niet toxisch — en dat is precies het omgekeerde van wat de meeste waarschuwingslijsten ervan maken.

Wat er in België van gemeld wordt, en hoe hard dat cijfer is

Het Belgische Antigifcentrum houdt bij hoeveel oproepen over dieren gaan. In 2023 waren dat er 7.376, goed voor 13,1 procent van de 56.262 oproepen die over een echte blootstelling aan een product gingen, en in 97,5 procent van die gevallen belde men over een kat of een hond. Ruim één op de acht oproepen gaat dus niet over een mens.

Het jaarverslag spreekt zichzelf daarbij op één punt tegen, en dat is het vermelden waard omdat het de orde van grootte van zulke cijfers relativeert: in het overzicht staan 7.376 blootstellingen van dieren, maar een paragraaf verderop telt hetzelfde rapport 7.757 dierlijke slachtoffers. Het verschil wordt niet uitgelegd. Neem dit cijfer dus als een orde van grootte en niet als een telling.

Wat het rapport níet geeft, is een uitsplitsing per productgroep voor dieren — die tabellen slaan alleen op menselijke blootstellingen. Je kan er dus niet uit afleiden hoe vaak het over voeding ging. Wat je er wél uit haalt: er wordt in dit land elke dag een twintigtal keer gebeld over een dier dat iets binnenkreeg, en wat je daarna doet, staat uitgewerkt in de eerstehulpgids op deze site.

En wat er in werkelijkheid gebeurt: geen vergiftiging, maar diarree

Een Britse studie volgde 2.250.417 honden in de eerstelijnspraktijk gedurende één jaar. Van die honden kreeg 8,2 procent in dat jaar een diagnose van acute diarree — ongeveer één op de twaalf. Bij 29,3 procent zat er bloed bij, 44,3 procent braakte ook, en 19,7 procent van de gevallen vroeg twee of meer bezoeken.

De vermoedelijke oorzaken staan op volgorde, en bovenaan staat precies waar dit artikel over gaat: schrokken en eetmisstappen bij 9,5 procent, gastro-enteritis bij 8,1 procent, en daarna dikkedarmontsteking, een reactie op ontstekingsremmers en een plotse voerverandering, elk bij 4,6 procent. Een hond belandt met andere woorden veel vaker bij de dierenarts door wat hij uit de keuken bemachtigde dan door iets wat hem vergiftigde.

En dan de nuchtere afloop. Meer dan 80 procent van die gevallen kwam niet terug. In een aparte reeks van 894 honden met diarree werd nagegaan of behandeling het verloop veranderde: voor antibiotica bedroeg het gecorrigeerde verschil in genezingskans 0,4 procent met een betrouwbaarheidsinterval van min 4,5 tot plus 5,3, voor maagdarmsupplementen 0,3 procent met min 4,5 tot plus 5,0. Beide intervallen lopen door nul. Het grootste risico van een voedingsexperiment is dus niet dat je hond vergiftigd raakt, maar dat jullie allebei een vervelende week hebben waar geen behandeling veel aan verandert.

Vond je dit artikel nuttig? Deel het met andere hondenliefhebbers!

Delen:

Bekijk deze rassen

Lees ook

Veelgestelde vragen

Wat mag een hond absoluut niet eten?

Het toxicologiehoofdstuk over voedingsgevaren van de Merck Veterinary Manual behandelt zeven voedingsmiddelen: ui en look, avocado, rauw brooddeeg, chocolade, macadamianoten, druiven met rozijnen en tamarinde, en xylitol. Dat is korter dan de lijsten die je online vindt, en het betekent niet dat alles daarbuiten veilig is — het betekent dat bij deze zeven een herkenbaar vergiftigingsbeeld beschreven is. Van die zeven zijn druiven en rozijnen de enige waarbij een kleine hoeveelheid dodelijk kan aflopen.

Hoeveel druiven zijn gevaarlijk voor een hond?

Er bestaat geen vastgestelde drempel, en de reden is dat het gehalte wijnsteenzuur in druiven schommelt tussen 0,35 en 2 procent — een verschil van bijna een factor zes tussen de ene tros en de andere. Het richtgetal dat het naslagwerk wel noemt, is streng: meer dan één druif of rozijn per 4,5 kilo lichaamsgewicht kan al genoeg wijnsteenzuur bevatten om de nieren te raken. Voor een hond van 20 kilo komt dat neer op meer dan vier druiven. Bij rozijnen zit dezelfde hoeveelheid zuur in een veel kleiner stukje. Dit is het ene geval in dit artikel waarbij je niet afwacht maar meteen de dierenarts of het Antigifcentrum belt.

Zijn appelpitten giftig voor mijn hond?

Appelpitten bevatten amygdaline, waaruit blauwzuur kan vrijkomen: tussen 1 en 3,9 milligram amygdaline per gram pit afhankelijk van het ras, goed voor 0,06 tot 0,2 milligram blauwzuur per gram pitten. De acuut dodelijke dosis blauwzuur ligt bij de meeste diersoorten rond 2 milligram per kilo lichaamsgewicht, dus ongeveer 30 milligram voor een hond van 15 kilo. Zelfs bij het hoogst gemeten gehalte heb je daar 150 gram pitten voor nodig, en dan moeten ze ook nog fijngekauwd zijn, want blauwzuur komt pas vrij als de pit stukgaat. Een klokhuis dat per ongeluk mee naar binnen gaat, is dus geen noodgeval.

Mag een hond melk of yoghurt?

In een Italiaanse proef kregen veertien volwassen honden oplopende hoeveelheden lactose bovenop hun voer. Acht van de veertien verdroegen de hoogste dosis van 2 gram per kilo metabool gewicht per dag zonder klachten. Maar vier honden weigerden de laagste dosis al op te eten en twee kregen binnen 24 uur acute diarree bij de middelste trap, dus zes van de veertien haalden het einde niet. De hoeveelheid lactose verschilt bovendien sterk per product: volle melk zit op 4,9 gram per 100 gram, gewone yoghurt op 2,6, Griekse yoghurt op 0,5 en harde gerijpte kaas op vrijwel nul. Begin daarom klein en kijk wat jouw hond ermee doet.

Mijn hond heeft ui uit de pastasaus gegeten. Moet ik me zorgen maken?

Bij honden zijn verschijnselen beschreven vanaf 15 tot 30 gram rauwe ui per kilo lichaamsgewicht, dus vanaf ongeveer 150 gram voor een hond van 10 kilo. Een restje saus haalt dat zelden. Twee dingen maken dit toch de moeite van een telefoontje waard: look is 3 tot 5 keer giftiger dan ui en in poedervorm zwaar geconcentreerd, en het tijdsverloop is traag. De methemoglobinevorming begint binnen 24 uur en piekt rond 72 uur, terwijl de eigenlijke bloedafbraak gewoonlijk pas 3 tot 5 dagen na de inname optreedt. Een hond die er vanavond normaal uitziet, is dus geen bewijs dat het goed zit.

Is vers fruit gezonder voor mijn hond dan een gewone snack?

Niet om de reden die meestal wordt gegeven. Het hoofdargument voor fruit bij mensen is vitamine C, en honden maken dat zelf aan uit glucose in de lever — er bestaat daarom geen voedingsbehoefte voor, en in de FEDIAF-tabellen voor de hond komt vitamine C niet voor. Vezels kennen evenmin een vastgestelde behoefte. Wat fruit wél is: een hap met veel water en weinig calorieën, en bij komkommer en wortel is dat een echt voordeel. Maar de calorieën tellen mee in hetzelfde budget als elke andere snack, en voor vers eten bestaat er geen officiële portie.