← Alle artikels

Gezelschapshonden: de 26 rassen die het officieel zijn

12 min leestijd

Delen:
Mopshond met beige vacht en zwart masker, in profiel op een parketvloer naast een openstaande witte deur, met de kop omhoog gericht.

Gezelschapshond is een van die woorden die iedereen gebruikt en niemand nakijkt. In advertenties staat het bij de ene hond wel en bij de andere niet, zonder dat er een regel achter zit. Toch bestaat er wel degelijk een officiële lijst: de Fédération Cynologique Internationale, de overkoepelende organisatie waar ook de Belgische Koninklijke Maatschappij Sint-Hubertus onder valt, deelt alle erkende rassen in tien groepen in, en groep 9 heet letterlijk Companion and Toy Dogs — gezelschaps- en dwerghonden. Die groep telt 26 rassen, verdeeld over elf secties. In dit overzicht staat wie erin zit, hoe die elf secties eigenlijk getekend zijn, en welke beroemde schoothonden er juist buiten vallen. Want dat laatste is het verrassendste deel: een paar van de honden die je zonder nadenken een gezelschapshond zou noemen, staan officieel bij de herders, bij de terriërs of bij de windhonden.

Gezelschapshond betekent twee dingen, en maar één ervan staat op papier

In het dagelijks taalgebruik is een gezelschapshond een hond zonder werk: hij jaagt niet, hij hoedt niet, hij bewaakt niets, en hij is er om er te zijn. Dat is een beschrijving van een rol in een huishouden, niet van een ras, en ze verschuift met de tijd. Een border collie in een appartement vervult vandaag exact die rol, en toch noemt vrijwel niemand hem zo.

Daarnaast bestaat de officiële betekenis, en die zit in de nomenclatuur van de FCI. Elk erkend ras krijgt daar een nummer, een land van herkomst, een groep en een sectie. Groep 9 draagt de naam Companion and Toy Dogs; in het Frans, de oorspronkelijke taal van de organisatie, heet ze Chiens d'agrément et de compagnie. Een ras zit in die groep of het zit er niet in — daar is geen tussenweg en geen interpretatie bij.

Het nuttige van die tweede betekenis is dat ze controleerbaar is. Het onnuttige is dat ze iets anders meet dan de meeste mensen denken. Wie de groep van dichtbij bekijkt, ziet dat de indeling vooral gaat over waar een ras vandaan komt en hoe het eruitziet, en nauwelijks over hoe het zich gedraagt. Dat is geen verwijt aan de FCI: het is gewoon wat de lijst is, en het verklaart meteen waarom hij zo vaak verkeerd gelezen wordt.

Groep 9 in cijfers: 26 rassen, elf secties, en een zevenentwintigste die er niet op staat

De groepspagina van de FCI somt 26 rassen op, verdeeld over elf secties. De grootste sectie telt er zes, en vier secties tellen er precies één. Dat is op zich al een ongewone verdeling: een indeling waarin vier van de elf secties uit één enkel ras bestaan, is geen ordening in families maar een reeks plaatsen waar een ras naartoe moest.

Er is bovendien een ras dat in de groep hoort maar niet op die groepslijst verschijnt: de Praagse rattler, standaard 363, uit Tsjechië. Zijn eigen rasfiche zet hem in groep 9, sectie 9, en vermeldt dat hij op 29 april 2019 voorlopig erkend is. Voorlopig erkend betekent dat het ras nog niet alle rechten van een definitief erkend ras heeft, en blijkbaar ook dat het de groepslijst nog niet haalt. Twee pagina's van dezelfde organisatie geven dus een ander antwoord op de vraag hoe groot de groep is.

Dat soort kleine tegenspraken kom je vaker tegen zodra je de nomenclatuur nauwkeurig leest. Sectie 4 heet op de groepslijst Hairless Dogs, maar in de rasstandaard van de Chinese naakthond staat Section 4 Hairless breeds. Sectie 11 heet op de groepslijst Small Molossian type Dogs en in de standaard van de Franse bulldog Small Molossian Dogs. Het verandert niets aan de inhoud, maar het is wel een waarschuwing: de groep is geen strak gesloten systeem, het is een gegroeide lijst.

Waarop die elf secties getekend zijn — en waarop niet

Zet de elf sectienamen onder elkaar en je ziet meteen waarop ze gebaseerd zijn. Sectie 1 heet Bichons and related breeds en sectie 4 Hairless Dogs: dat zijn vachtcriteria. Sectie 3 heet Small Belgian Dogs, sectie 5 Tibetan breeds en sectie 7 English Toy Spaniels: dat zijn herkomstcriteria. Sectie 11 heet Small Molossian type Dogs: dat is een bouwcriterium, en het betekent dwergmolossers, dus honden met een zwaar, breed, kortsnuitig type.

Vier van de elf secties — en het zijn niet dezelfde vier — zijn simpelweg naar hun bewoners genoemd. Sectie 2 heet Poodle, sectie 6 Chihuahueño, sectie 10 Kromfohrländer, en sectie 8 heet Japan Chin and Pekingese. Dat is geen criterium maar een opsomming. En sectie 9 heet Continental Toy Spaniel and others: de woorden and others staan letterlijk in een officiële nomenclatuur, wat een eerlijke manier is om te zeggen dat er een restbak nodig was.

En dan de vaststelling waar het in dit hele artikel om draait: er is geen enkele sectie waarvan de naam iets zegt over het gedrag van de hond. Niet over aanhankelijkheid, niet over rust, niet over hoe hij met kinderen omgaat, niet over blaffen of over alleen blijven. De groep heet naar een rol — gezelschap — maar is van binnen volledig ingedeeld op vacht, land en lichaamsbouw. Wie de groep leest als een lijst van zachtaardige honden, leest er iets in wat er niet staat.

Sectie 1: de bichons, zes rassen rond één vachttype

De grootste sectie van de groep heet Bichons and related breeds en telt zes rassen: de bichon frisé (215), de maltezer (65), de havanezer (250), de bolognezer (196), de coton de tulear (283) en het leeuwhondje of petit chien lion (233). Het bindmiddel is onmiskenbaar de vacht: wit tot roomkleurig, lang, zacht en doorgroeiend in plaats van uitvallend.

De maatverschillen binnen die zes zijn klein. De maltezer meet volgens standaard 65 bij reuen 21 tot 25 centimeter en bij teven 20 tot 23, bij een gewicht van 3 tot 4 kilo. Dat zijn honden die je met een hand optilt, en het hele gamma van de sectie beweegt zich rond dat formaat. Dat maakt deze sectie ook makkelijk te herkennen: kleine, witte, pluizige honden die je zonder nomenclatuur al bij elkaar zou zetten.

Één van die zes heeft een band met ons land: de bichon frisé draagt volgens de nomenclatuur België en Frankrijk samen als herkomstland. Wat de bichon precies Belgisch maakt en welke andere rassen hier hun oorsprong hebben, staat uitgewerkt in ons overzicht van de Belgische hondenrassen; hier houden we het bij de plaats in de nomenclatuur.

Sectie 2: de poedel krijgt een sectie voor zichzelf

Sectie 2 heet Poodle en bevat precies één ras: caniche, standaard 172, met Frankrijk als land van herkomst. De geldende versie van die standaard dateert van 5 april 2024 en geldt sinds 1 augustus 2024. Onder UTILIZATION staat Companion dog — officieel is de poedel dus een gezelschapshond en geen apporteur.

De historische samenvatting in diezelfde standaard zegt iets anders over zijn verleden. Letterlijk staat er dat deze hond oorspronkelijk gebruikt werd voor de watervogeljacht en dat hij afstamt van de barbet, waarvan hij veel kenmerken behouden heeft. Het Franse woord caniche komt van cane, eend. Een werkhond dus, die in de nomenclatuur bij het gezelschap terechtgekomen is — iets waar we in onze post over de poedelsoorten dieper op ingaan.

Voor dit overzicht is vooral de maat interessant. Diezelfde standaard geeft vier variëteiten, en de grootste, de koningspoedel, staat op meer dan 45 tot 60 centimeter schofthoogte met een tolerantie van 2 centimeter erbovenop. Van de twaalf standaarden die we voor dit artikel nalazen, is dat veruit de grootste maat; de eerstvolgende is de kromfohrländer met 46 centimeter. Wie denkt dat gezelschapshond hetzelfde is als schoothond, struikelt hier al over sectie 2.

Sectie 3: de kleine Belgische honden

Sectie 3 heet Small Belgian Dogs en telt drie rassen die voor een buitenstaander dezelfde hond zijn: de griffon belge (81), de griffon bruxellois (80) en de petit brabançon (82). Het zijn drie afzonderlijke standaarden, met vacht en kleur als scheidslijn, en het is de enige sectie van groep 9 die naar België verwijst.

Dat drietal is in ons overzicht van de Belgische hondenrassen al uitgebreid behandeld, inclusief wat de verschillen in vacht en kleur praktisch betekenen en wat er in de Belgische stamboeken over te vinden is. Hier volstaat de vaststelling dat België hiermee drie van de 26 officiële gezelschapsrassen levert, wat voor een klein land opvallend veel is.

Let bij die sectie ook op wat ze over de indeling zelf zegt. Herkomst is kennelijk zwaar genoeg om drie rassen die elkaar sterk gelijken bij elkaar te houden, terwijl de maltezer en de bolognezer, die elkaar minstens zo sterk gelijken, gewoon in de vachtsectie zitten. De maltezer draagt volgens zijn standaard trouwens niet eens een land als herkomst maar een streek: het centrale Middellandse Zeegebied. De criteria zijn met andere woorden niet consequent dezelfde van sectie tot sectie.

Sectie 4: één ras, en de vacht is het criterium

Sectie 4 bevat alleen de Chinese naakthond, standaard 288, met China als land van herkomst. Onder UTILIZATION staat Companion Dog. De schofthoogte ligt bij reuen op 28 tot 33 centimeter en bij teven op 23 tot 30; gewichtscijfers geeft de standaard niet.

Het bijzondere is dat dit ras in twee varianten bestaat die in dezelfde standaard staan: de naakte en de powder puff, die wel een volledige vacht heeft. Een sectie die Hairless heet, bevat dus ook een behaarde hond. Dat is geen fout maar een gevolg van de genetica achter de naaktheid, waarbij in hetzelfde nest beide types vallen.

Voor een koper betekent dat iets heel praktisch: je kunt niet van de sectienaam afleiden wat er uit een nest komt. Dat geldt breder in deze groep. Vachtverzorging is bij veel rassen van groep 9 een echte kostenpost, en hoe die per vachttype uitpakt, hebben we apart uitgewerkt in onze posts over langharige rassen en over rassen die nauwelijks verharen.

Sectie 5: vier Tibetaanse rassen, en twee namen die niet kloppen

Sectie 5 heet Tibetan breeds en telt vier rassen: de lhasa apso (227), de shih tzu (208), de tibetaanse spaniël (231) en de tibetaanse terriër (209). Alle vier dragen Tibet, met China erachter, als land van herkomst. Het is na de bichons de grootste sectie van de groep.

Twee van die vier namen zijn misleidend, en dat is geen woordspel maar iets wat je bij de aankoop in de war brengt. De tibetaanse terriër is geen terriër: hij staat in groep 9 en niet in groep 3, en met een schofthoogte van 36 tot 41 centimeter bij reuen is hij bovendien met afstand de grootste van de vier. De tibetaanse spaniël is evenmin een spaniël — hij meet volgens zijn standaard ongeveer 25,4 centimeter en weegt idealiter 4,1 tot 6,8 kilo.

De lhasa apso levert een ander soort verrassing. Zijn standaard geeft onder UTILIZATION niet Companion Dog maar Toy Dog, als enige van de twaalf standaarden die we voor dit artikel woord voor woord nagelezen hebben. De shih tzu daarentegen staat wel op Companion Dog, bij een schofthoogte van niet meer dan 27 centimeter en een ideaal gewicht van 4,5 tot 7,5 kilo.

Sectie 6: de chihuahua, anderhalve kilo als streefgewicht

Sectie 6 heet Chihuahueño en bevat alleen de chihuahua, standaard 218, met Mexico als land van herkomst. Onder UTILIZATION staat Companion dog. Het is de kleinste hond van de groep: de standaard geeft een gewicht van 1 tot 3 kilo, met 1,5 tot 2,5 kilo als ideaal.

Die ondergrens is er niet voor niets. Onder de rasnorm fokken is bij dit ras een commercieel aantrekkelijke richting — teacup en mini zijn de duurste labels in de advertenties — en precies daar liggen de problemen met de schedelvorm. Wat daarover gemeten is, en waarom het aantal openingen in de schedel meer zegt dan de aanwezigheid ervan, staat in onze vergelijking van de chihuahua met de yorkshire terriër.

De chihuahua staat bovendien aan het ene uiteinde van een groep die veel breder is dan haar naam suggereert. Hoe breed precies, rekenen we verderop voor; hier volstaat dat het verschil met de grootste leden van groep 9 niet in procenten maar in veelvouden uitgedrukt moet worden.

Sectie 7 en 8: de toy spaniëls en het Aziatische paar

Sectie 7 heet English Toy Spaniels en bevat twee rassen: de cavalier king charles spaniël (136) en de king charles spaniël (128), allebei met Groot-Brittannië als herkomstland. De standaard van de cavalier geeft een gewicht van 5,4 tot 8 kilo en zegt er uitdrukkelijk bij dat een kleine, goed gebalanceerde hond ruim binnen dat gewicht wenselijk is. Onder UTILIZATION staat bij hem Companion and Toy.

Sectie 8 heet Japan Chin and Pekingese en bevat precies die twee: de pekinees (207) en de japanse chin (206). Een sectienaam die uit twee rasnamen bestaat, is geen criterium — het is een vaststelling dat deze twee ergens moesten staan en bij elkaar pasten op uiterlijk en op Aziatische hofafkomst.

Beide secties samen zijn goed voor vier rassen die in het dagelijkse spraakgebruik als het prototype van de schoothond gelden. En juist bij die vier is het gezondheidsdossier een echt onderwerp: de cavalier is bekend om hartklepproblemen, en de kortsnuitigheid speelt bij de pekinees en de chin een rol. Dat zijn geen dingen die je uit de nomenclatuur afleest — de groep zegt niets over gezondheid.

Sectie 9: de sectie die “en andere” heet

Sectie 9 draagt de naam Continental Toy Spaniel and others. De vaste bewoners zijn de continentale dwergspaniël, bij ons bekend als papillon en phalène (77), en de Russische toy (352). Daar komt de voorlopig erkende Praagse rattler (363) bij, die zoals gezegd wel op de rasfiche in deze sectie staat maar niet op de groepslijst verschijnt.

De woorden “and others” verdienen een moment aandacht. In een nomenclatuur die verder met vachttypes, landen en lichaamsbouw werkt, is dit de plek waar een ras terechtkomt dat nergens anders past. Dat is geen zwakte van het systeem maar wel een eerlijke erkenning dat een indeling op uiterlijk en herkomst niet sluitend te krijgen is.

Het valt bovendien op dat de nieuwste leden van de groep hier zitten. De Russische toy en de Praagse rattler dragen met 352 en 363 de twee hoogste standaardnummers van de groep, en allebei zijn het kleine, levendige, terriërachtige honden uit Oost-Europa. Wie wil weten waar de groep naartoe groeit, kijkt dus niet naar de bichons maar naar sectie 9.

Sectie 10: de kromfohrländer, de kruising die het wel gehaald heeft

Sectie 10 heet Kromfohrländer en bevat dat ene Duitse ras, standaard 192. Hij is op 28 november 1955 definitief erkend. Onder UTILIZATION staat Companion and house-dog, de enige van de twaalf gelezen standaarden die het woord huishond toevoegt. De schofthoogte ligt tussen 38 en 46 centimeter, het gewicht bij reuen op 11 tot 16 kilo en bij teven op 9 tot 14.

En dan zijn herkomst, want daar zit het eigenlijke verhaal. De standaard schrijft dat de kromfohrländer zijn karakter te danken heeft aan zijn voorouders: de ruwharige foxterriër en de grand griffon vendéen. Met andere woorden, een kruising tussen een terriër en een lopende jachthond, gefokt door een vrouw in het zuiden van Noordrijn-Westfalen, kreeg internationale erkenning als gezelschapshond en bovendien een sectie op zijn eigen naam.

Zet dat naast de situatie van vandaag. De maltipoo, de cavachon, de poochon en de hele reeks doodles zijn eveneens kruisingen die als gezelschapshond gefokt worden, en geen enkele staat in de FCI-nomenclatuur. Dat verschil is geen oordeel over de honden zelf maar over het tijdstip en het traject; wat een kruising in Vlaanderen wel en niet kan krijgen, zetten we uiteen in onze vergelijking van de dwergpoedel met de maltipoo.

Sectie 11: drie dwergmolossers tussen de schoothonden

Sectie 11 heet Small Molossian type Dogs en telt de mopshond (253), de Franse bulldog (101) en de boston terriër (140). Molossers zijn de zware, brede, kortsnuitige honden — in groep 2 staan hun grote verwanten. Hier staan ze in verkleinde vorm, en officieel als gezelschapshond.

De cijfers uit de standaarden: de mopshond heeft een ideaal gewicht van 6,3 tot 8,1 kilo en krijgt geen schofthoogte mee, de Franse bulldog weegt bij reuen 9 tot 14 kilo en bij teven 8 tot 13, met een toegelaten overschrijding van 500 gram voor een typische hond, en de boston terriër wordt in drie gewichtsklassen ingedeeld tot maximaal 11,35 kilo. Onder UTILIZATION staat bij hen achtereenvolgens Companion Dog, Companion and Toy dog en enkel Companion.

Dit is de sectie waar de naam van de groep het verst van de inhoud afstaat. Drie honden met een mastiffbouw en een ingekorte snuit dragen hetzelfde etiket als de maltezer. Wat die bouw betekent voor ademhaling, hitte en geboorte, hebben we uitgewerkt in onze vergelijking van de Franse met de Engelse bulldog — en het is precies het soort informatie dat je nooit uit een groepsindeling haalt.

Wat er in de standaarden zelf staat: zes formuleringen voor een beroep

Elke FCI-standaard opent met een vaste kop waarin onder meer het land van herkomst, de groep, de sectie en het gebruik staan. Dat laatste veld heet UTILIZATION en beschrijft in een of twee woorden waarvoor het ras bedoeld is. Je zou verwachten dat alle rassen van een groep die gezelschapshonden heet, daar hetzelfde staan hebben.

Voor dit artikel hebben we twaalf standaarden van groep 9 woord voor woord nagelezen: de poedel, de lhasa apso, de mopshond, de kromfohrländer, de tibetaanse terriër, de cavalier, de Franse bulldog, de boston terriër, de Chinese naakthond, de chihuahua, de shih tzu en de maltezer. Over die twaalf staan zes verschillende formuleringen. Zes keer Companion dog, twee keer Companion and Toy, en verder een keer Companion and Toy dog, een keer alleen Companion, een keer Companion and house-dog, en bij de lhasa apso alleen Toy Dog.

Dat is geen slordigheid met grote gevolgen, maar het is wel veelzeggend. De helft van de gecontroleerde standaarden gebruikt dezelfde twee woorden; de andere helft doet iets eigens. Een groep waarvan de leden hun eigen functie op zes manieren opschrijven, is geen strak gedefinieerde categorie maar een verzameling rassen waarvoor geen andere plek was. Let op: dit geldt voor de twaalf standaarden die we zelf gecontroleerd hebben, niet voor alle 26.

De maat: van anderhalve kilo tot tweeënzestig centimeter

De misvatting die het vaakst terugkomt, is dat gezelschapshond en kleine hond hetzelfde zijn. De cijfers uit de standaarden weerleggen dat meteen. Aan de onderkant staat de chihuahua met een ideaal gewicht van 1,5 tot 2,5 kilo; aan de bovenkant staat de koningspoedel, die tot 60 centimeter schofthoogte mag meten met 2 centimeter tolerantie erbovenop, dus tot 62 centimeter.

Daartussen zit meer spreiding dan de groepsnaam doet vermoeden. De kromfohrländer haalt 38 tot 46 centimeter en 16 kilo bij een reu. De tibetaanse terriër staat op 36 tot 41 centimeter. De Chinese naakthond op 28 tot 33. De Franse bulldog weegt tot 14 kilo. Pas daaronder begint het terrein van de maltezer en de chihuahua waar iedereen bij deze groep aan denkt.

Van de twaalf standaarden die we nalazen, is 16 kilo bij een kromfohrländerreu het hoogste gewicht dat er letterlijk in staat; het laagste ideaalgewicht is de 1,5 kilo van de chihuahua. Dat is ruim een factor tien, en het is onze eigen vergelijking van twee standaardcijfers en geen uitspraak van de FCI. Een voorbehoud hoort erbij: de standaard van de poedel geeft helemaal geen gewicht, alleen schofthoogte, dus de echte bovengrens van de groep staat nergens opgeschreven. Voor een keuze op formaat zijn onze overzichten van kleine en middelgrote rassen hoe dan ook bruikbaarder.

Geen enkele werkproef — en dat maakt de titel moeilijker, niet makkelijker

Op de rasfiches en standaarden van groep 9 die we nakeken, staat telkens dezelfde regel: zonder werkproef, in de Engelse versie Without working trial. Dat klinkt als een vrijstelling en wordt vaak zo gelezen: deze honden hoeven niets te kunnen. Maar het veld betekent iets anders, en het resultaat is eerder omgekeerd.

Het showreglement van de FCI koppelt dat veld aan de weg naar de internationale schoonheidstitel. Een hond van een ras dat niet aan een werkproef onderworpen is, heeft vier CACIB-toekenningen nodig, behaald in drie verschillende landen onder drie verschillende keurmeesters, met minstens een jaar en een dag tussen de eerste en de laatste. Voor een ras dat wel aan een werkproef onderworpen is, volstaan er twee, uit twee landen en van twee keurmeesters — op voorwaarde dat de hond een rasspecifieke proef heeft afgelegd.

Voor de eigenaar van een gezelschapsras betekent dat dus een langere weg en meer reizen, want de korte route loopt door een proef die voor zijn ras niet bestaat. Het is een detail dat vooral tentoonstellers raakt, maar het zegt wel iets over de plaats van de groep in het systeem: ze is gedefinieerd door de afwezigheid van werk, en dat kost in de reglementen eerder iets dan dat het iets oplevert.

De bekendste honden die niet in groep 9 staan

Hier wordt de lijst pas echt nuttig. De pomeriaan, voor veel mensen de schoothond bij uitstek, staat niet in groep 9 maar in groep 5, Spitz and primitive types, sectie Europese spitsen. Hij is bovendien geen zelfstandig ras in de FCI-nomenclatuur maar een van de vijf variëteiten van de Duitse spits, standaard 97 — samen met de keeshond of wolfsspits, die in dezelfde standaard staat. Twee honden die je nooit naast elkaar zou zetten, zijn op papier hetzelfde ras.

De yorkshire terriër staat in groep 3, bij de terriërs, in de sectie Toy Terriers. Het woord toy staat er dus wel, maar de groep is die van de werkende aardhonden en niet die van het gezelschap. Het Italiaanse windhondje staat in groep 10 bij de windhonden, sectie kortharige windhonden. De schipperke, nochtans Belgisch en klein, staat in groep 1 bij de herders- en veedrijvershonden, sectie herdershonden. En de dalmatier staat in groep 6 bij de lopende honden, sectie verwante rassen.

Dat rijtje legt de kern van de zaak bloot. De FCI deelt in naar oorspronkelijke functie en afstamming, niet naar wat de hond vandaag doet. Een yorkshire terriër die zijn leven op een bank doorbrengt, blijft in de nomenclatuur een terriër, en dat is historisch correct en praktisch nutteloos. Wie wil weten hoe een hond in huis is, moet naar de raspagina en niet naar de groep.

Hoe weinig de groep over zichzelf gedocumenteerd heeft

De FCI publiceert naast de standaarden ook rasspecifieke voorlichtingsdocumenten, bedoeld om keurmeesters te wijzen op punten waar overdrijving dreigt. Die documenten zijn per groep en per sectie te vinden. Voor groep 9 staan de elf secties keurig op een rij, maar documenten zijn er maar voor twee rassen: de bolognezer en de maltezer, allebei uit sectie 1.

Voor de tien andere secties staat er niets. Dat is opmerkelijk in een groep waar overdrijving nu net het gesprek bepaalt — de snuitlengte in sectie 11, het gewicht in sectie 6, de vachtlengte in sectie 5. Het betekent niet dat daar geen regels gelden; de rasstandaarden en de nationale regelgeving blijven gewoon van kracht. Het betekent wel dat de groep op dit punt nauwelijks eigen voorlichting draagt.

Voor een koper verandert dat niets aan wat hij moet doen, maar wel aan waar hij moet kijken. De antwoorden op de vragen die er bij deze rassen echt toe doen, staan niet in de nomenclatuur en niet in die voorlichtingsmap, maar in gezondheidstesten, in wat de fokker kan tonen en in de wetgeving. Wat je in Vlaanderen aan een fokker vraagt, hebben we apart uitgewerkt.

Waar dit overzicht geen antwoord op geeft

Drie vragen die mensen bij dit onderwerp stellen, zijn met de groepsindeling niet te beantwoorden, en het is eerlijker om dat te zeggen dan om er iets bij te verzinnen. De eerste is of een gezelschapsras goed alleen thuis kan blijven. Het antwoord is bij geen enkel ras ja van nature: alleen blijven is altijd opbouw, en bij rassen die eeuwenlang op nabijheid geselecteerd zijn, is die opbouw juist belangrijker. Ons stappenplan daarvoor staat los van deze post.

De tweede is of deze rassen weinig blaffen. Ook daar helpt de sectie niet: binnen dezelfde sectie zitten honden met een heel verschillend meldgedrag. Geluid is een van de grootste praktische risico's voor wie in een appartement woont, en we hebben er in onze appartementpost een aparte behandeling van gemaakt, inclusief wat eraan te trainen valt.

De derde is wat de vacht gaat kosten. Dat hangt niet van de groep af maar van het vachttype, en groep 9 bevat zowat elk type dat bestaat: doorgroeiende zijdevacht, krulvacht, naakte huid en korte gladde haren. De Belgische trimprijzen per vachttype staan in onze posts over langharige rassen en over rassen die nauwelijks verharen.

Wat de indeling je wel vertelt als je aan het kiezen bent

Ondanks alle voorbehouden is de groep niet waardeloos bij een keuze. Wat ze wel betrouwbaar aangeeft, is het historische doel van het ras, en dat heeft een voorspelbaar gevolg: een hond die generaties lang geselecteerd is om naast een mens te zitten, is doorgaans sterker op mensen gericht dan een hond die zelfstandig moest werken. Dat is een voordeel in gezelschap en een nadeel zodra je weg bent.

Ze geeft daarnaast vrij nauwkeurig de lichaamsbouw aan, en dat is wel degelijk informatie. Sectie 11 waarschuwt je voor een kortsnuitig type, sectie 1 voor een doorgroeiende vacht, sectie 4 voor een huid die bescherming nodig heeft. Dat zijn drie concrete beslissingen — over hitte, over trimkosten en over verzorging — die je met de sectie alleen al kunt voorbereiden.

Wat ze niet geeft, is het ziektedossier, het energieniveau, de trainbaarheid en de prijs. Die staan per ras op de raspagina en in de rasvergelijkingen, en ze lopen binnen een en dezelfde sectie flink uiteen. Gebruik de groep dus als een eerste filter op type en herkomst, en nooit als een belofte over karakter.

De korte versie

Officieel bestaan er 26 gezelschapshonden, plus een zevenentwintigste die voorlopig erkend is en op de groepslijst nog ontbreekt. Ze zijn verdeeld over elf secties, en die secties zijn getekend op vacht, op herkomst en op lichaamsbouw. Geen enkele ervan draagt een naam die iets over het gedrag van de hond zegt, en vier ervan zijn gewoon naar hun bewoners genoemd.

De groep bevat een voormalige watervogeljager, drie dwergmolossers, een terriër die geen terriër is, een spaniël die geen spaniël is, een kruising die in 1955 erkend werd en een eigen sectie kreeg, en een hond van anderhalve kilo naast een hond van tweeënzestig centimeter. En ze bevat juist niet de pomeriaan, de yorkshire terriër, het Italiaanse windhondje, de schipperke of de dalmatier.

De praktische les is eenvoudig. Gebruik het woord gezelschapshond gerust in het dagelijks taalgebruik, maar reken er niets op bij een aankoop. Kijk naar het ras, naar de gezondheidstesten en naar wat de fokker kan tonen, en gebruik de groep enkel om te begrijpen waar een hond vandaan komt.

Vond je dit artikel nuttig? Deel het met andere hondenliefhebbers!

Delen:

Bekijk deze rassen

Lees ook

Veelgestelde vragen

Wat is een gezelschapshond?

In het dagelijks taalgebruik is het een hond zonder werktaak, gehouden voor het gezelschap. Officieel is het een hond uit groep 9 van de FCI-nomenclatuur, die Companion and Toy Dogs heet en 26 rassen telt in elf secties. Die twee betekenissen vallen niet samen: een border collie kan in de praktijk een gezelschapshond zijn en staat toch in groep 1, terwijl de poedel officieel in groep 9 staat en oorspronkelijk watervogels apporteerde.

Hoeveel gezelschapshonden erkent de FCI?

De groepslijst van de FCI toont 26 rassen in elf secties. Daarnaast staat de Praagse rattler, standaard 363 uit Tsjechië, op zijn eigen rasfiche in groep 9 sectie 9 met een voorlopige erkenning sinds 29 april 2019, zonder dat hij op die groepslijst verschijnt. Afhankelijk van welke pagina je neemt, kom je dus op 26 of op 27 uit.

Is een poedel een gezelschapshond?

Officieel wel. Standaard 172 zet de poedel in groep 9, sectie 2, en het gebruiksveld van die standaard vermeldt Companion dog. De historische samenvatting in diezelfde standaard zegt er echter bij dat het ras oorspronkelijk voor de watervogeljacht gebruikt werd en van de barbet afstamt. Ook de maat past slecht bij het beeld: een koningspoedel mag tot 60 centimeter meten, met 2 centimeter tolerantie.

Waarom staat de yorkshire terriër niet bij de gezelschapshonden?

Omdat de FCI indeelt naar oorspronkelijke functie en afstamming, niet naar hoe de hond vandaag leeft. De yorkshire terriër staat in groep 3, bij de terriërs, in de sectie Toy Terriers. Het woord toy verwijst daar naar zijn formaat, de groep naar zijn verleden als rattenvanger. Dezelfde logica zet de pomeriaan bij de spitsen in groep 5, het Italiaanse windhondje bij de windhonden in groep 10 en de schipperke bij de herdershonden in groep 1.

Zijn gezelschapshonden altijd klein?

Nee. Binnen groep 9 loopt de maat van een chihuahua met een ideaalgewicht van 1,5 tot 2,5 kilo tot een koningspoedel van 60 centimeter schofthoogte met 2 centimeter tolerantie. De kromfohrländer haalt 38 tot 46 centimeter en bij reuen 16 kilo, de tibetaanse terriër 36 tot 41 centimeter en de Franse bulldog tot 14 kilo. De groepsnaam zegt iets over de rol waarvoor een ras werd gefokt, niet over zijn formaat.

Is een maltipoo of een cavachon een officiële gezelschapshond?

Nee. Kruisingen zoals de maltipoo, de cavachon en de poochon staan in geen enkele FCI-nomenclatuur en hebben dus geen groep, geen sectie en geen rasstandaard, ook al worden ze uitdrukkelijk als gezelschapshond gefokt. Opvallend genoeg is er wel een kruising die het ooit gehaald heeft: de kromfohrländer, ontstaan uit een ruwharige foxterriër en een grand griffon vendéen, werd op 28 november 1955 definitief erkend en kreeg zelfs een eigen sectie.